De open deur
- 2 uur geleden
- 5 minuten om te lezen
Je leest dit omdat je denkt dat je in gevecht bent met alcohol. Dat stemmetje waar je doodmoe van wordt.
Maar er bestaat geen alcoholmonster. Geen wijnheks. Geen drankduivel. Dat stemmetje dat je denkt te horen is je eigen innerlijke dialoog.
Vanmorgen stond je voor de spiegel en zei: zie je wel, zwakkeling, loser, randdebiel dat je bent, achterlijke trut, heb je weer gezopen. Dat is het stemmetje waarmee je jezelf straft, omdat de alcohol gisteren grijnzend beloofde dat hij rustig aan zou doen, en jij geloofde dat je het bij eentje zou laten.
Je voelt je klein. Mislukt. Maar vandaag ga je het anders doen. Vandaag ga je de wereld bewijzen dat je sterker bent. Dat niemand zal merken hoe mislukt je je voelt.
Je poetst jezelf op en gaat naar je werk. Je collega's zijn vrolijk en praten over B&B vol liefde en hun vakantieplannen. Je vraagt je af hoe zij niet ellendig zijn. Of ze geen kater hebben, of dat ze het beter kunnen verbloemen.
Er schiet jaloezie door je ziel. Had jij maar dat zelfvertrouwen. Zij hebben vast een stabiel gezin zonder zorgen en een man die thuis helpt. Straks ga jij naar huis en is je man boos, omdat de was nog in de machine zit die je gisteren vergat, omdat je op de bank in slaap viel.
Je moeder had gelijk, denk je. Ik maak nog steeds een puinhoop van mijn leven en kan ook niks.
Maar snel de opdracht de deur uit, en na het werk boodschappen. Een lekkere frisse witte wijn. Vandaag heb ik die verdiend.
Je stapt op de fiets en neemt in de winkel het lievelingseten van je man mee. Vandaag was best een goede dag. Straks doe je de was en zet je wat lekkers op tafel. Vastbesloten om er maar één te drinken kies je een dure fles, zodat je er drie dagen van kunt genieten.
Ergens in je achterhoofd flitst een gedachte. Hah, je houdt jezelf voor de gek. Eerst zien, dan geloven. Die gedachte wuif je weg. Vandaag weet ik het zeker. Gisteren was een beetje te gek, dat kan geen twee keer in een week.
Thuis ruim je de boodschappen op. Je man heeft de was in de droger gedaan. Hij heeft niks gezegd. Het viel mee.
Het eerste glas is heerlijk. Het eten smaakt goed. Het tweede glas schenk je in zonder aan gisteren te denken. Onbewust, automatisch, schenk je de fles leeg en plof je op de bank.
Je ziet je man raar naar je kijken. Oh shit, stomme trut die ik ben, ik zou maar één nemen. Nou ja, wat kan mij het ook schelen, ik voel me lekker. En als hij mij dat niet eens gunt. Ik ben oud en wijs genoeg om zelf te bepalen. Ik ben geen klein kind meer dat vroeger nooit wat mocht.
Ik neem er lekker nog een, en ze kunnen me allemaal de vinketering krijgen met hun jij mag dat niet en jij snapt dat niet en kijk naar hoe goed je broer is en dat je beter je best moet doen. En als die vent van me wat zegt, dan vertel ik hem eens dat ik het ook niet leuk vind dat hij drie keer per week laat thuiskomt en ik alles alleen opknap.
Er is niemand die ooit ziet wat ik allemaal doe.
Poor me. Poor me. Pour me a drink.
Kijk eens goed naar die avond. Naar die hele dag. Hoeveel stemmen heb je gehoord? En hoeveel daarvan waren van jou?
Er zijn vier stemmen die tegen je praten. En geen enkele daarvan is jouw gedachte. Daarom vecht je de hele dag met jezelf, en wint de alcohol.
De eerste stem is je moeder. Ze had een slechte dag, jaren geleden, en ze zei iets tegen een kind dat nog niet kon terugpraten. Jij hebt niks te willen. Zij vergat het de volgende ochtend. Jij bouwde het in. Dat is hoe een wond werkt die niet van één klap komt, maar van een zin die bleef hangen en zich herhaalde tot je hem geloofde. Veertig jaar later hoor je haar nog, elke keer als de was niet gedraaid is.
De tweede stem is alles wat je daarna leerde. De school, de blikken, de wereld die je vertelde dat er één goed antwoord was en dat jij het meestal fout had. Je leerde jezelf te beoordelen in plaats van te kennen. Je leerde kijken of je goed genoeg was aan de gezichten van anderen. Aan je collega's met hun B&B vol liefde. Aan de blik van je man.
De derde stem is de reclame. Die zei: je hebt het verdiend. Geniet, maar drink met mate. Die plantte het verlangen in je hoofd en gaf het jouw naam. Je dacht dat het jouw zin was, die dure fles als beloning. Het was een zin die je duizend keer had gehoord tot je hem voor de jouwe hield.
De vierde stem is de wreedste, want die maakte je zelf. Het is de stem voor de spiegel. Zwakkeling, randdebiel, heb je weer gezopen. Dat is de eerste drie stemmen bij elkaar, overgenomen en op jezelf gericht. En die stem lost niks op. Sterker, hij maakt het erger. Zelfkritiek is geen motivatie. Het is een alarm. Het geeft cortisol af, hetzelfde stresshormoon als bij gevaar. En stress is precies wat je naar het glas drijft. Dus de stem die zegt dat je zwak bent omdat je drinkt, maakt je kwetsbaarder om te drinken. Hij is geen rem. Hij is de motor.
Vier stemmen. En je hoort ze allemaal in je eigen hoofd, in je eigen stem. Daarom denk je dat ze jou zijn.
Maar hier is het enige wat je hoeft te begrijpen. Een gedachte die je hoort is niet hetzelfde als wie je bent. Je bent je gedachten niet. Je hebt ze. Je bent degene die luistert.
Er is een jij die de stem hoort, los van de stem die praat. En op het moment dat je dat verschil voelt, verandert alles. Want dan kun je de stem horen en zeggen: dat ben jij niet, mam. Dat ben ik niet. Dat is een oude zin die ik niet meer geloof.
Je hoeft niet tegen de stem te vechten. Je hoeft hem niet te overschreeuwen met positieve teksten op je spiegel. Je hoeft alleen te herkennen van wie hij is. En te weten dat jij de luisteraar bent, niet de stem.
Wie is jouw bewaker? Wie heeft de sleutel van jouw gevangenis? Wie vertelt jou wat je wel of niet mag?
Ik dacht dat ik lui was, dom, getraumatiseerd, zwak, schuldig, niets waard en niet in staat om iets te veranderen. Ik wilde wel. Maar als ik wilde, hoorde ik mijn moeder tegen me praten alsof ik vijf was: jij hebt niks te willen. Als ik probeerde, zag ik de blik in de ogen van mijn man, dat ik toch niks kon. Als ik iets wenste, zag ik mijn collega's die hun leven zoveel beter voor elkaar hadden.
Ik voelde me mislukt als mens. Ik kon niet zien wat ik wel goed deed.
Dit is je eigen gebouwde gevangenis.
Ik zat er veertig jaar in.
En ik wist niet dat de deur openstond.
Ik zocht een sleutel. Een ontsnapping. Ik hoopte dat iemand mij de weg zou wijzen.
Maar de deur was gewoon open. Er waren geen bewakers. Ik wist alleen niet dat ik zelf naar buiten kon lopen.
En pas toen ik begreep, ik hoef hier niet te zijn, niemand heeft mij hier gebracht. Ik kan gewoon opstaan, de deur opendoen, en naar buiten lopen, ik ben geen gevangene, ik houd mezelf gevangen.
Er is geen bewaker. Er is nooit een bewaker geweest.
Alleen jij, en de stemmen waarvan je dacht dat ze jou waren.
Opmerkingen